Een moskee mag er zijn, maar waar dan?

In Nederland wordt graag gesproken over vrijheid van godsdienst. Moslims mogen bidden, moslims mogen zich organiseren en natuurlijk mag er een moskee zijn. Maar wanneer een moslimgemeenschap daadwerkelijk een plek zoekt waar zij dat recht kan uitoefenen, begint in sommige gemeenten een heel ander verhaal.

De situatie in Stichtse Vecht, in de provincie Utrecht, verdient daarom aandacht. Inmiddels zijn er twee verschillende moslimgemeenschappen binnen deze gemeente die tegen dezelfde fundamentele vraag aanlopen: waar mogen wij dan wél terecht?

In Maarssen zoekt het Islamitisch Centrum Stichtse Vecht al ongeveer veertien jaar naar een permanente locatie. Nadat een eerder onderkomen in 2014 wegviel, volgden tijdelijke locaties. Uiteindelijk besloot de gemeenschap zelf verantwoordelijkheid te nemen. Er werd een pand gekocht, waarin naast een gebedsruimte ook plaats moest komen voor ontmoeting, lessen en huiswerkbegeleiding. De stichting zegt meer dan zeshonderd moslimgezinnen in de gemeente te vertegenwoordigen.

Op 24 februari 2026 werd voor het pand officieel een omgevingsvergunning aangevraagd. De gemeente wees die aanvraag vervolgens af.

De argumenten van de gemeente zijn op zichzelf herkenbaar uit het ruimtelijk bestuursrecht. Het pand ligt op een bedrijventerrein. Bedrijven in de omgeving zouden mogelijk te maken kunnen krijgen met strengere eisen rond geur en geluid. Ook wijst de gemeente op verkeersveiligheid: de Handelsweg is een 50-kilometerweg en volgens de gemeente ontbreekt ruimte voor een veilig trottoir. Het islamitisch centrum bestrijdt dat en stelt dat twee onafhankelijke onderzoeken geen onoverkomelijke problemen hebben aangetoond. Ook wijst het erop dat op en rond hetzelfde bedrijventerrein al andere publiek aantrekkende functies aanwezig zijn.

Hier begint deze zaak groter te worden dan één vergunning. Want de gemeente erkent tegelijkertijd dat er in Stichtse Vecht weinig maatschappelijk vastgoed beschikbaar is. De gemeenschap wordt geacht een locatie met een maatschappelijke bestemming te vind. Wanneer zij vervolgens zelf een pand koopt, blijkt ook die locatie niet geschikt. Dan mag de vraag worden gesteld hoeveel mogelijkheden er in de praktijk eigenlijk overblijven.

En Maarssen staat niet op zichzelf.

Een paar kilometer verderop, in Breukelen, zit Stichting Al-Kitaab met een vergelijkbaar probleem. De stichting gebruikt een ruimte op bedrijventerrein De Corridor voor onder meer het vrijdaggebed, lessen, huiswerkbegeleiding, ontmoetingen en ondersteuning van vluchtelingen. Volgens de gemeente past dat gebruik niet binnen het omgevingsplan. Sinds juni 2026 mag de stichting haar activiteiten niet meer voortzetten zonder het risico op een boete.

Hier wordt onder meer gewezen op parkeerdruk op vrijdag. Er zijn klachten geweest van enkele omliggende ondernemers. Maar dat kan nooit het einde van het gesprek zijn.

Niemand hoeft bij iedere afwijzing onmiddellijk het woord discriminatie te gebruiken. Gemeenten mogen eisen stellen. Parkeerdruk, verkeersveiligheid, geluid en ruimtelijke ordening kunnen legitieme redenen zijn om een plan aan te passen of zelfs af te wijzen.

Maar ook zogenaamd neutrale regels moeten consequent, objectief en gelijkwaardig worden toegepast. Recente zaken laten zien waarom kritisch naar deze ontwikkelingen kijken noodzakelijk is. In Barendrecht legde de gemeente in 2025 een last onder dwangsom op aan een islamitisch centrum omdat het religieuze en maatschappelijke gebruik van een pand volgens de gemeente niet was toegestaan. Na bezwaar concludeerde een onafhankelijke bezwaarschriftencommissie dat het bestaande gebruik onder het overgangsrecht viel. De gemeente trok daarop haar eerdere handhavingsbesluit in.

De kernvraag in Stichtse Vecht is daarom heel eenvoudig.

Als een moslimgemeenschap veertien jaar zoekt, tijdelijke locaties moet verlaten, uiteindelijk zelf een pand koopt en opnieuw te horen krijgt dat ook deze plek niet geschikt is, waar verwacht de gemeente dan concreet dat honderden moslimgezinnen hun gebeds- en gemeenschapsruimte realiseren?

En als enkele kilometers verderop een tweede moslimorganisatie eveneens haar locatie moet verlaten en zelf maar een alternatief moet zien te vinden, kan de gemeente niet volstaan met de mededeling dat iedere aanvraag afzonderlijk wordt beoordeeld.

Vrijheid van godsdienst betekent meer dan dat de overheid niemand verbiedt om te bidden. Die vrijheid moet ook in de praktijk kunnen worden uitgeoefend. Muslim Rights Watch Nederland vraagt daarom niet om uitzonderingsposities voor moskeeën. Moskeeën moeten zich, net als andere maatschappelijke en religieuze instellingen, aan redelijke regels houden.

Maar moslims mogen óók verwachten dat die regels transparant, evenredig en consequent worden toegepast, en dat een gemeente die jaar na jaar zegt waar een moskee niet kan komen, uiteindelijk ook bereid is serieus mee te denken over de vraag waar het dan wél kan.

Want na veertien jaar wordt die vraag steeds moeilijker te ontwijken.

Ibrahim Sbaa

To top