De politiek van activisme – Anti-Palestijns racisme en Juridische Strijd

Op 9 juli beantwoordde het kabinet de Kamervragen over de cursus “Pleiten voor Palestina” van Muslim Rights Watch Nederland (MRWN). De antwoorden zijn interessant in tegenstelling tot de vragen die deel uitmaakten van de ophef over deze studiemiddag in juni.

 

De grenzen van het acceptabele

Half juni stelden Kamerleden Schilder en Markuszower (Groep Markuszower / De Nederlandse Alliantie – een partij waarvan de leider opriep tot maximaal geweld tegen Palestijnen in Nederland) negen vragen over de cursusdag met als inzet: PO-punten schrappen, en de ANBI-status van de organiserende stichting heroverwegen of intrekken. De vragen suggereren dat de cursusdag een vorm van activisme is en dat deze dus geen juridische scholing zijn. Dit zagen we ook terug in de ophef erover op social media en in de media. De situatie is illustratief en leerzaam als het gaat over de verstrengeling van islamofobie en anti-Palestijns racisme hoewel het in de vragen niet specifiek gaat over moslims dan wel Palestijnen.

 

We zien twee mechanismen die typisch zijn voor anti-Palestijns racisme en islamofobie. Reeds voor 7 oktober 2023 maar zeker daarna zien we hoe vrijwel alle initiatieven die te maken hebben met solidariteit met de Palestijnen, die strijd voor het leven van Palestijnen en de leefbaarheid van Palestina verdacht worden gemaakt als steun voor terrorisme, voor antisemitisme of op een bepaalde manier belachelijk worden gemaakt. Het gaat hier om delegitimering van narratieven: bepaalde onderwerpen worden buiten de grenzen van het acceptabele (hier juridische scholing) geplaatst. En het gaat hier om het uitwissen van de Palestijnen. Deze doen er in de vragen helemaal niet toe: het gaat vooral om Muslim Rights Watch Nederland en de ANBI status. Maar de uitstraling is groter. Niet alleen wordt activisme tegenover juridische scholing gezet (daarmee een hele geschiedenis van verstrengeling van beide in Nederland naar de prullenbak verwezen). Het gaat daarbij naast MRWN over “organisaties die zich in de praktijk steeds meer bezighouden met politieke actievoering en activisme.” Hiermee wordt een groot deel van het maatschappelijk middenveld en de belangenbehartiging daarbinnen ondermijnd, al weten we dat dit argument vooral terugkomt in relatie tot organisaties van moslims.

 

Dat wil niet zeggen dat de kwestie over neutraliteit van de advocatuur per definitie illegitiem is. Er is zeker iets te zeggen voor het gegeven dat een scholingssysteem van de advocatuur niet gebruikt moet worden voor politieke stellingname, maar dan is het wel goed om kritisch te zijn op wat we nu verstaan onder politieke actievoering en activisme. Dan moeten we ook de reizen voor journalisten en docenten naar Israël georganiseerd door de Nederlandse lobbyorganisatie voor Israël (CIDI) kritisch onder de loep nemen.

 

Een procedurele kleurenblinde grens

De antwoorden zijn zoals gezegd interessanter. Het kabinet gaat niet mee in de verdachtmakingen en de ondermijning van het maatschappelijk middenveld. Waar de vragen suggereren dat de cursus “politiek activisme” is in plaats van juridische scholing, antwoordt het kabinet dat advocaten “dezelfde vrijheden [hebben] als eenieder in Nederland” en vrij zijn cursussen te volgen die zij relevant achten en “dat geldt ook voor deze cursusdag.” Op de vragen over de ANBI-status van MRWN en hoe “algemeen nut” zich verhoudt tot een cursusdag als deze, stelt het kabinet dat het begrip “algemeen nut” neutraal is. Dit betekent dat “niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid” als algemeen nuttig gelden. De bevoegdheid tot het intrekken van een ANBI-status ligt niet bij het kabinet zoals men stelt, maar bij de Belastingen. Daarbij stelt het kabinet: “gedragingen die niet aansluiten bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn geen reden om de ANBI-status in te trekken.” Tot op zekere hoogte doet het kabinet precies wat je mag verwachten in een liberaal-democratische rechtsstaat: het toepassen van de regels en procedures zonder aanzien des persoons en ongeacht de politieke lading van het onderwerp.

 

Maar wat deze manier van behandelen niet benoemt is het onderliggende patroon van verdachtmaking, uitwissing en delegitimering. Het kabinet beschermt een organisatie als MRWN en andere organisaties uit het maatschappelijk middenveld, zonder ook maar één verwijzing naar Palestina, genocide of islamofobie. De weigering om “algemeen nut” te laten samenvallen met “in lijn met overheidsbeleid” is zelfs een expliciete bescherming tegen precies het soort politieke uitsluiting waar activisten en academici zich vanuit verzet tegen anti-Palestijns racisme al langer voor waarschuwen. Maar nergens zien we terug dat de vragen zijn gesteld door vertegenwoordigers van een partij die anti-Palestijns is, flirt met geweld en een racistisch programma heeft. Dat deze vragen inhaken op een reeds bestaande pre-emptieve verdenking jegens moslims en Palestijnen weerspiegelen. Simpelweg gesteld: de maatschappelijke ophef en vragen hebben weinig te maken met de al dan niet noodzakelijke neutraliteit van de advocatuur maar met het onderwerpen (voor Palestina) en de organisaties van moslims. De organisatoren worden verdacht gemaakt omwille van wie ze zouden zijn en niet de scholing is verdacht, maar het onderwerp (Palestina).

 

Fascisme

Een kleurenblinde benadering zoals die van de overheid kan een krachtige bescherming geven, maar het onderliggende patroon van selectieve verdachtmaking, delegitimering en uitwissen blijft ongemoeid en ligt klaar voor de volgende casus. En uiteindelijk zou dat onderliggende patroon in een tijd van groeiend fascisme en autoritaire regimes ook nog wel eens de kleurenblinde benadering kunnen ondermijnen.

 

dr. Martijn de Koning

To top