Ik stond niet op de foto. Maar dat had ik al verwacht.

AFAS plaatste onlangs een LinkedIn-post over een nieuw “lookbook” voor medewerkers. Hierin staan foto’s van kleding om inspiratie te geven voor kleding op de werkvloer. Geen strikte dresscode meer, maar dus enkel inspiratie. Medewerkers mochten outfits insturen die volgens hen pasten bij de uitstraling van AFAS. Het idee was juist vrijheid: geen rigide voorschriften meer over wat wel en niet professioneel genoeg is. Toch ontstond bij het zien van de foto’s direct dezelfde gedachte die veel moslims waarschijnlijk herkennen: natuurlijk staat er geen zuster met hoofddoek tussen de foto’s.

De reactie was niet verbaasd of geschokt, maar gewoon automatisch. En misschien is precies dát het probleem.

Want rationeel gezien had het best gekund. AFAS zegt nergens dat een hoofddoek niet welkom is. Maar de afwezigheid ervan voelde toch vanzelfsprekend. Dat gevoel ontstaat niet uit het niets.

Veel moslims herkennen dit mechanisme onmiddellijk. Een kantoor binnenlopen betekent vaak onbewust de ruimte scannen. Zijn hier mensen die op mij lijken? Kan ik hier moslim zijn zonder dat het ‘een ding’ wordt? Hoeveel van de eigen identiteit moet worden afgezwakt om als professioneel gelezen te worden?

Voor moslims begint professionaliteit daardoor vaak niet bij competentie, maar bij leesbaarheid. Pas je binnen het beeld dat mensen al hebben van een ‘professionele werknemer’? Juist daar raakt het onderwerp aan islamofobie in professionele settings. Niet de openlijke vorm die direct herkenbaar is als discriminatie, maar de subtiele, alledaagse vorm die zich verstopt achter cultuur, ‘professionaliteit’ of ‘bedrijfsfit’.

Microagressie

Movisie omschrijft microagressies in een rapport als subtiele, vaak onbewuste verbale en non-verbale gedragingen gebaseerd op stereotypen en vooroordelen, die mensen het gevoel geven dat zij ‘anders’ zijn. Het rapport benadrukt bovendien dat microagressies juist zo schadelijk zijn omdat ze voortdurend terugkeren in het dagelijks leven.

Dat mechanisme zie je terug in professionele omgevingen. Niet via expliciete uitsluiting, maar via kleine opmerkingen of handelingen die op zichzelf onschuldig lijken, maar samen een duidelijke boodschap afgeven.

Niemand zegt letterlijk dat religieuze zichtbaarheid ongewenst is. Toch begrijpt iedereen waar de spanning zit.

Ook religieuze omgangsvormen worden binnen professionele settings zelden neutraal gelezen. Een collega die bewust kiest voor een alternatieve begroeting uit religieuze overtuiging, wordt al snel gezien als ongemakkelijk, ‘afstandelijk’ of niet passend binnen de bedrijfscultuur. Wat voor de één een geloofsgrens is, wordt voor de ander een signaal van afwijking.

Movisie beschrijft precies dit soort processen als microbeledigingen en micro-invalidaties: opmerkingen die ervaringen minimaliseren, stereotypen bevestigen of iemand impliciet neerzetten als afwijkend van de norm. Ook het constant gezien worden als ‘anders’ of niet volledig passend binnen de dominante norm wordt expliciet genoemd als kenmerk van microagressies.

Zelfs representatie speelt daarin een rol. In het Movisie-rapport wordt het gebrek aan zichtbare representatie benoemd als een vorm van microagressie: wanneer bepaalde groepen structureel onzichtbaar blijven in media, organisaties of publieke beeldvorming. Dat maakt het AFAS-lookbook interessant. Want hoewel het bedoeld was als inspirerend en inclusief, liet het tegelijkertijd zien wie blijkbaar níét automatisch wordt meegenomen in het beeld van professionaliteit.

En precies daar zit de kern van islamofobie op de werkvloer anno nu. Niet altijd in openlijke afwijzing.

Maar in de voortdurende boodschap dat zichtbare islam eerst verklaard, verzacht of cultureel vertaald moet worden voordat zij comfortabel voelt binnen professionele normen.

De vraag is daarom niet alleen of moslims welkom zijn op de werkvloer. De diepere vraag is: wie wordt automatisch gezien als professioneel en wie moet dat eerst voortdurend bewijzen?

YH, redactie

To top