De recente uitspraak van Geert Wilders waarin hij Allah beledigde roept een terugkerende maar fundamentele vraag op: mag je God en religie beledigen? Volgens de Nederlandse wet is het antwoord helder: ja, dat mag. Sinds de afschaffing van het verbod op godslastering in 2014 biedt de Nederlandse wet geen specifieke bescherming tegen het opzettelijk beledigen van religies of heilige symbolen. In de basis is het dus toegestaan om religies te beledigen in Nederland.
Een gedachtegang hierachter is: ideeën verdienen geen bescherming, alleen mensen. Een religie is volgens deze logica slechts een verzameling ideeën en overtuigingen, en mag daarom vrijelijk worden bekritiseerd, bespot of beledigd. In deze redenering schuilt echter een fundamenteel probleem. Deze juridische benadering gaat volledig voorbij aan de menselijke werkelijkheid van miljoenen gelovigen.
Voor ons als moslims is de Islam geen abstracte theorie of een vrijblijvende mening. De Islam is verweven met onze identiteit, onze spiritualiteit en onze waarden. Het is de kern van ons bestaan. Onze liefde voor Allah, de Koran en de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) overstijgt zelfs de liefde voor onszelf. Wanneer Allah wordt bespot, wanneer de Koran wordt ontheiligd of wanneer onze Profeet wordt beledigd, ervaren wij dat niet als een aanval op een idee, maar als een aanval op wie wij zijn.
Deze realiteit komt niet tot uitdrukking in de Nederlandse wetgeving en rechtspraak. Religie wordt daarin beschouwd als een overtuiging of idee dat kan worden onderscheiden van iemands identiteit of wezen. Zo oordeelde de Hoge Raad in het bekende ‘gezwel-arrest’ uit 2009 met betrekking tot groepsbelediging als volgt:
“De enkele omstandigheid dat grievende uitlatingen over een godsdienst ook de aanhangers van die godsdienst krenken, is niet voldoende om die uitlatingen te kunnen gelijkstellen met uitlatingen over die aanhangers, dus over een groep mensen wegens hun godsdienst in de zin van art. 137c Sr.”
In dit arrest ging het om de vraag of de uitspraak “stop het gezwel dat de Islam heet” beledigend was voor moslims. De Hoge Raad oordeelde dus dat beledigende uitingen over de Islam niet beledigend tegenover moslims hoeven zijn.
Wat mij betreft wordt hier precies de blinde vlek zichtbaar in het huidige juridische denken. Er wordt uitgegaan van een theoretische scheiding tussen religie en gelovige, terwijl die scheiding voor miljoenen mensen eenvoudigweg niet bestaat. Voor een moslim is de islam geen extern object dat losstaat van zijn identiteit. Onze relatie met Allah, de Koran en de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) vormt de kern van ons bestaan. Wie die kern doelbewust beledigt, raakt daarmee onvermijdelijk ook ons als moslims omdat wij ons hiermee identificeren.
Wanneer de diepste overtuigingen van miljoenen burgers vogelvrij zijn onder het mom van vrijheid van meningsuiting, dan ontstaat een pijnlijke paradox: de wet dient burgers te beschermen, terwijl zij tegelijkertijd toestaat dat de kern van hun identiteit doelbewust wordt vernederd en bespot.
Beledigingen en bespottingen vinden echter niet plaats in een vacuüm. Woorden vormen beelden, beelden vormen opvattingen en opvattingen beïnvloeden uiteindelijk hoe mensen worden behandeld. Wie jarenlang ongestraft een religie kan afschilderen als iets kwaadaardigs, achterlijks of gevaarlijks, draagt bij aan een maatschappelijk klimaat waarin de mensen die zich met die religie identificeren steeds gemakkelijker kunnen worden gewantrouwd, uitgesloten en ontmenselijkt.
De geschiedenis laat zien dat langdurige demonisering van een religieuze gemeenschap zelden beperkt blijft tot abstracte ideeën; aan die negatieve beeldvorming lijden vaak uiteindelijk de mensen die zich met die gemeenschap identificeren.
In het manifest van de terrorist die in San Diego een moskee aanviel en drie moslims doodde lezen we: “I don’t hate Muslims, at least not really. What I do hate is the religion of Islam itself”.
Toch weten we dat het uiteindelijk waren het geen abstracte ideeën die werden neergeschoten, maar mensen van vlees en bloed die naar de moskee waren gekomen om te bidden.
Gezien het voorgaande acht ik het van belang dat er vanuit de wetgeving en rechtspraak anders gekeken gaat worden naar de verbondenheid tussen de gelovige en zijn geloof. Wanneer iemand geloof wordt beledigd, raakt dit de gelovige tot in zijn ziel. En wanneer een religie wordt afgeschilderd als een kwaadaardige ideologie die moet worden bestreden, dan zal deze strijd zich uiteindelijk ook richting tegen de volgers van deze religie. Het zijn immers nooit ideeën die worden uitgesloten, gewantrouwd of aangevallen, maar altijd mensen van vlees en bloed.
Florian Drenth